Het
Global Positioning System
(GPS)
draaien.
De satellieten zenden signalen uit die informatie bevatten
omtrent tijd en omloopgegevens waarmee hun positie kan
worden berekend. Tegelijkertijd luisteren GPS-ontvangers
te land, ter zee en in de lucht naar die signalen. Navigatieapparatuur
moet tenminste drie satellieten 'zien' om een positie
op het aardoppervlak te kunnen berekenen. Signalen van
een vierde satelliet zijn vereist om ook de elevatie of
hoogte vast te stellen.
(Bron: handleiding
Garmin Etrex)